Wat maakt de allersnelste auto’s ter wereld zo onweerstaanbaar?

Een paar dagen geleden zag ik de documentaire Apex, the story of the hypercar. Het prachtig gefilmde document is een lust voor het oog én je oren. Centraal staat de vraag waarom een handvol autoproducenten steeds op zoek blijft gaan naar het verleggen van de grens van de mogelijkheden op autogebied. De inzet: wie maakt de snelste productieauto ter wereld. De makers kozen voor het perspectief van Christian Koenigsegg, die in de jaren 90 uit het niets de strijd aanbond met Ferrari, Bugatti, Porsche en McLaren. Maar de film gaat net zo goed over de superrijken; mensen die vermogend genoeg zijn om een hypercar van tweeënhalf miljoen euro aan te schaffen. En hij gaat over ons, doodgewone stervelingen die de pk-wedloop met een bijna religieus fanatisme op de voet volgen.

Wat is het toch dat de allersnelste sportwagens in mensen losmaken? Prijs en onbereikbaarheid verklaren niet alles; boten en gebouwen zijn in veel gevallen nog veel duurder en ik kan me niet herinneren dat ik ooit een groepje pubers heb zien rennen in de hoop een glimp op te vangen van het nieuwe motorjacht van Riva. Maar heb je een gestroomlijnde auto die in minder dan 3,5 seconden naar 100 km/u spurt en niet stopt voordat de teller de 300 km/u is gepasseerd, dan kun je bij de benzinepomp niet tanken zonder dat er mensen met je auto op de foto willen.

Kwijlende broekies

Afgelopen zomer verbleef ik gedurende een paar weken in een klein dorpje in Zeeuws-Vlaanderen, toevallig ook de thuishaven van een bijna-sterrenrestaurant waar iedere dag gefortuneerde Belgen komen dineren. Je raadt het al: die komen meestal niet in een Ford Mondeo voorrijden. Op de tientallen obligate Porsches en Range Rovers na, waren er dit keer ook een zo goed als nieuwe Ferrari F430 en – en dat was pas écht een hoofdendraaier – een knaloranje Lamborghini Aventador. Zelden heb ik de plaatselijke jeugd elkaar zo snel zien Whatsappen. Binnen een half uur stonden er zeker tien broekies om de auto te kwijlen. Ik weet dit overigens omdat de Lambo tegenover ons huis stond geparkeerd, pal achter mijn nachtblauwe Volvo V70 mét dakkoffer. Dat is een beetje alsof je naast George Clooney staat; niet per se heel goed voor je zelfvertrouwen.

lambovolvo

Van Goghs

Ik denk dat de magie van supersportwagens ‘m zit in de combinatie van een aantal zaken:

Ten eerste: de aantrekkingskracht van de snelste zijn. Dit hoef ik eigenlijk niet uit te leggen: het is iets waar veel (jonge) mannen mee bezig zijn.
Ten tweede: hij lijkt bereikbaar. In de meeste hypercars rijd je zo weg, ook zonder ervaring, terwijl dat met bijvoorbeeld een Space Shuttle niet het geval is (ook al is-ie duurder, exclusiever en vooral véél sneller dan om het even welke hypercar).
Ten derde: het geluid. Punt.
Ten vierde: je idolen rijden erin. Popsterren, self-made-miljonairs. Of misschien is het wel andersom en zijn de hypercars zelf de idolen. En dat heeft niet in de laatste plaats te maken met,
ten vijfde, de esthetiek van hypercars. Met andere woorden: er is een reden waarom F1 auto’s ondergeschikt zijn aan hun coureurs. Natuurlijk, ze zijn snel, beschikken over een prachtige soundtrack, maar ze zijn visueel een beetje saai. Dertien in een dozijn. Geoptimaliseerd voor aerodynamische prestaties (gaap). Nee, dan de lijnen van een La Ferrari, of een Koenigsegg Regera (zie openingsfoto), dat zijn auto’s waar je een uur omheen kunt lopen alsof het Van Goghs zijn.

Zo, en dan ga ik nu een poster van een Bugatti Chiron boven m’n bed hangen.

——

Benieuwd wat zo’n snelle Lamborghini tegenwoordig als occasion doet? Klik dan hier voor het aanbod op Marktplaats!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Protected by WP Anti Spam